Het zwarte Gat

Een object van een bepaalde massa, oefent aantrekkingskracht uit op een ander object.
In feite trekken beide object elkaar aan, maar voor het gemak doen we meestal alsof het zwaarste object het lichtste aantrekt, en als de massa's maar genoeg verschillen, geeft dat een zeer juist beeld van de werkelijkheid.
Als het lichtste object geen snelheid bezit ten opzicht van het zwaarste. Dan zal het direct naar het zwaarste object worden toegetrokken en daarop "neerstorten".
Bezit het wèl snelheid, dan is het mogelijk dat het.

1. Toch neerstort.
2. In een baan rond het zwaarste object gaat draaien.
3. Zich altijd van het zwaarste object af blijft bewegen.

De snelheid die voor het laatste nodig is noemt men de ontsnappingssnelheid.
Nu zijn er objecten voorstelbaar, die zo zwaar zijn ten opzichte van hun omvang, dat de ontsnappingssnelheid aan het oppervlak, groter is dan de snelheid van het licht. Niets kan hier dus aan ontsnappen, zelfs het licht niet, Vandaar de benaming "zwart gat".
In de Astronomie heeft het lang geduurd voordat men er in is geslaagd object te lokaliseren, die de eigenschappen van een zwart gaat vertonen. Dat is ook niet makkelijk want deze objecten zijn in feite onzichtbaar. Toch kan men aan de hand van het gedrag van de materie in de buurt van zo’n zwart gat de aanwezigheid van een dergelijk grote massa best aantonen, en het heeft er de schijn van dat de meeste grote sterrenstelsels er tenminste één bevatten.

De Oerknal.

De Astronomen hebben ook nog iets heel anders ontdekt.
Hoe verder een sterrenstelsel van ons af staat, hoe meer het licht van dat sterrenstelsel schijnt te zijn verschoven in de richting de langere golflengtes. Roodverschuiving noemt men dat. Men kent twee mogelijk oorzaken van roodverschuiving.
De eerste verklaring is dat de bron van het licht zich van ons af beweegt. Dit noemt men het Doppler effect. De licht pakketjes die naar ons toekomen, moeten een steeds grotere afstand afleggen, daardoor worden ze uitgerekt, en is de golflengte dus langer.
De tweede verklaring is dat het licht door een sterke zwaartekrachtbron wordt "geremd". Omdat de snelheid van het licht (in het vacuüm) constant is heeft zwaartekracht geen invloed op de snelheid, maar omdat de impuls wel degelijk afneemt, blijkt in zo’n geval de golflengte ook weer langer te worden. Hoe langer de golven, hoe minder energie.
De afstand van de lichtbron meten is overigens geen peuleschil.

Voor ver weg staande sterrenstelsels, heeft men de lichtkracht bepaald van een bepaald type ster: De z.g. veranderlijke Cepheiden. Deze sterren vertonen een periodieke verandering, en de snelheid waarmee ze veranderen, lijkt direct bepalend te zijn voor de werkelijk lichtsterkte. Als men nu de gemeten licht sterkte vergelijkt met de lichtsterkte die hoort bij de periode van de Cepheide, kan men daarmee de afstand uitrekenen. Dezelfde periode en een vier keer zo zwak licht, wijst immers op een twee maal zo grote afstand.
Jammer genoeg vermeld de literatuur niet of er rekening is gehouden met de invloed van de roodverschuiving op de periode van de Cepheiden. Hopelijk wel.
Omdat de geconstateerde roodverschuiving evenredig lijkt te zijn met de afstand kan men deze niet verklaren als het gevolg van gravitatie, en is men gedwongen aan te nemen dat alle voorwerpen in het heelal zich met dezelfde snelheid van elkaar af bewegen.
Gaat men terug in de tijd, dan hebben alle sterren vroeger bij elkaar gestaan, en kan men zelfs het punt in het verleden berekenen, waarop het hele heelal zich in een enkel punt moet hebben bevonden. Dit moment noemt men de oerknal.

Helaas heb ik een probleem met de Oerknal.
Als men terug gaat in de tijd, zal men lang voordat men de Oerknal heeft bereikt, een heelal aantreffen dat zo klein is, dat gezien de massa die wij er nu in aantreffen, de ontsnappingssnelheid aan de buitenzijde groter moet zijn dan de snelheid van het licht. Het Heelal was dus ooit een zwart Gat.

Het Oergat.

Als het heelal ooit een zwart Gat was, dan is er geen goede reden voor te geven, waarom het dat niet nog steeds zou zijn. Immers: Als zelfs het licht er niet uit kan ontsnappen, dan kan niets er uit ontsnappen, en dan moet het heelal heden ten dagen nog steeds een zwart gat zijn.
Als het heelal echter een zwart gat is dan komt de roodverschuiving in een geheel ander daglicht te staan. Licht dat bij ons vandaan komt, heeft dan aan de rand van het heelal een dusdanige hoeveelheid energie verloren dat het vrijwel zal zijn uitgedoofd door de gravitationele roodverschuiving. Andersom kunnen wij dat van het verre licht dat onze kant op komt ook verwachten. Hoe kan de roodverschuiving dan evenredig zijn aan de afstand?

Ik zou erg blij zijn met een astronoom, fysicus of Wiskundige die dit probleem voor mij kan oplossen.

e-mail  naar:  velzen5  at  XS4ALL  (bewust geen link)

Terug naar peter overige pagina's

5. Terug naar de index